De houten eeuw van Amsterdam. Bouwen, werken en wonen in de middeleeuwse stad 1275-1578

De houten eeuw van Amsterdam. Bouwen, werken en wonen in de middeleeuwse stad 1275-1578

Dat Amsterdam als het ware uit het niets is opgetrokken, dat is al lange tijd bekend. Maar welke moeite de Amsterdammer moest doen om hier te kunnen wonen, daar staan we zelden bij stil. In De houten eeuw van Amsterdam. Bouwen, werken en wonen in de middeleeuwse stad 1275-1578 wordt tot in detail uit de doeken gedaan hoe Amsterdam in de eerste eeuwen van haar bestaan is geworden tot de stad die zij is.

De keuzes die toen zijn gemaakt, zijn nog steeds bepalend voor de manier waarop de stad is vormgegeven. Maar anders dan over de zeventiende eeuw en later, is er over het vroege Amsterdam veel minder bekend en onderzocht.

Stad in het veen

Ver weg van bestuurlijke centra als Den Haag en Utrecht, ontwikkelde zich in de dertiende eeuw een nederzetting aan het IJ. Tijdens grote stormvloeden in de twaalfde eeuw was een natuurlijke haven ontstaan, die een strategische ligging kreeg in bovenregionale handelsnetwerken. De eerste Amsterdammers zagen als geen ander het voordeel daarvan in. Maar het benutten van dat voordeel betekende dat men moest bouwen in het veen. En dat bracht moeilijkheden en opofferingen met zich mee. Het landschap gaf nauwelijks bruikbare materialen prijs. Alles wat men wilde bouwen of gebruiken moest daarom worden geïmporteerd. Huizen en andere gebouwen zakten weg waar je bij stond, en natte voeten waren een fenomeen waar iedere Amsterdammer wel mee te maken kreeg. Toch bleek dat geen onoverkomelijk probleem.

Stormachtige ontwikkeling

De eerste vermelding van Amsterdam stamt uit 1275. Nauwelijks 150 jaar later had de nederzetting de omvang die zij tot het einde van de zestiende eeuw zou houden. Die omvang is nog steeds afleesbaar aan het Singel, Kloveniersburgwal en Geldersekade. Dit was het tracé waar in de vijftiende eeuw een stadsmuur werd gebouwd. Die muur zou al snel als een knellende band worden ervaren. Maar de vroede vaderen treuzelden hier iets aan te doen. Iets waar de stadsbestuurders zich wel zorgen over maakten, was de leefbaarheid binnen die muur. Ophogingen waren aan de orde van de dag. Er werd een voortdurende strijd geleverd om straten, kades, bruggen en sluizen te onderhouden. De beheersing van het water vormde een voortdurend probleem; niet alleen wat hoge waterstanden aanging, maar ook het tekort aan schoon drinkwater, dat in de zestiende eeuw nijpend werd. Daarnaast moest de handel worden gefaciliteerd: er was een waag, een paalhuis, een tonnenhuis, een belastinghuis, een korenmetershuis en een bierdragershuis. Voedsel kocht men in de vleeshal, de vismarkt en op tal van openluchtmarkten, die steeds vaker voor verstopping van het verkeer zorgden. Om al die spullen van en naar de stad te kunnen brengen, moest de haven herhaaldelijk worden vergroot. Op de kades stonden kranen en windassen. Het gedrang was op drukke uren niet te overzien.

Drukte in de stad

De drukte in de stad vormde een steeds groter probleem, maar het vergroten van de stad stelde men uit. In plaats daarvan werden huizen gesloopt om markten te vergroten, straten aangelegd om de doorstroming te bevorderen. Er waren allerlei regels voor het gebruik van stoepen en de maximale grootte van luifels, omdat men er anders in smalle straten niet meer met vracht kon passeren. Bij dit alles dacht men ook na over vervuiling en brandgevaar.

Het herschikken van functies en markten aan het einde van de vijftiende eeuw, en met name het verbannen van brandgevaarlijke of overlast gevende ambachten naar het gebied ten zuiden van het Spui of de achterburgwallen – zoals de koperslagers in 1519 – laat zien dat er een soort milieubeleid bestond, dat ook zou worden toegepast op brouwerijen, ververijen, volders, olieslagers en zeepziederijen. Dit moest het leven, op de betere plekken in de stad althans, iets dragelijker maken. Het is waar dat men ingenieus inspeelde op de omstandigheden en dat de voorspoed en het belang van de stad steeds verder toenamen. En ook wist men na 1452, door het toepassen van stenen daken en andere regelgeving, te verhinderen dat er nog grote stadsbranden plaatsvonden. Maar dit betekende niet dat Amsterdam voor veel mensen een comfortabele plek was om te wonen.

Op zoek naar een woning

De stad was in de zestiende eeuw overvol. Het bebouwbare gebied binnen de stadsmuren bedroeg slechts zo’n 63 procent. De rest was bestemd voor water en wegen. En van die 63 procent werd ongeveer een derde ingenomen door kerken, kloosters en instellingen. Dat betekende dat er minder dan de helft van de stad overbleef om huizen te bouwen. Toch nam het aantal inwoners van de stad tussen 1500 en 1570 toe van ongeveer tien- tot dertigduizend. Huizenprijzen explodeerden, wie de kans had verhoogde zijn huis met een verdieping en bebouwde ook zijn binnenplaats. Kamerwoningen boden plaats aan hele gezinnen, vaak zonder fatsoenlijke afvoer, om nog maar te zwijgen van stromend water. Maar men moest roeien met de riemen die men had. Toen de ambtenaren van de stad in 1555 het aantal lege erven in de stad inventariseerden, kwamen zij op een schamel aantal van 24. Er kon vrijwel geen huis meer bij in de stad.

Pareltjes

In de historische binnenstad zijn nog steeds sporen te vinden uit de tijd dat Amsterdam een houten stad was. Hierbij zijn soms complete houtskeletten van huizen gevonden, soms voorzien van houtsnijwerk of beschilderde afwerkingen, al zijn dergelijke pareltjes dan ook schaars. Toch leren die versnipperde onderdelen ons veel over het leven in de stad, in een tijd die eeuwen terug ligt. Zij bieden ons een inkijkje in een vreemde, handgemaakte wereld, die ver weg lijkt en onbereikbaar. Tegelijk lopen we in de binnenstad in straten en stegen die afkomstig zijn uit die tijd. De mensen van toen waren zich bewust van hun omgeving, van de ondergrond en de invloed van het klimaat. Als er ver weg oorlog was, of er waren misoogsten, dan bleven de pakhuizen in Amsterdam leeg en stegen de prijzen schrikbarend. De houten eeuw van Amsterdam laat zien dat deze problemen van alle tijden zijn. Pas na 1578 zou de stad weer gaan groeien. Dit was het begin van een periode van ongekende expansie en bloei. De stad in de zeventiende eeuw zou tot in lengte van dagen zodanig tot de verbeelding gaan spreken dat de tijd daarvoor vaak een beetje werd vergeten. Maar het is meer dan de moeite waard om terug te gaan naar de Middeleeuwen, en te ontdekken hoe het ooit allemaal eens is begonnen.

Afbeeldingen

1) banner, 2) Opgraving van een aantal huizen door de gemeentelijke archeologische dienst aan de Nieuwendijk in 1979. | Foto: Monumenten en Archeologie, gemeente Amsterdam, 3) Links: het in 1560 vernieuwde paalhuis op een tekening van Abraham Storck uit 1679, vlak voor de sloop. Rechts: de stadspaardenstal. Uitsnede uit anonieme prent, circa 1570. | Bron: beeldbank Stadsarchief Amsterdam (010055000052 en 010001000051), 4) De Vismarkt gezien vanaf het Damrak. Ingekleurde ets van Pieter van der Keere, circa 1616. | Bron: beeldbank Stadsarchief Amsterdam (010097005143), 5) Het gebied ten zuiden van het Spui had in 1562 nog een uitgesproken industrieel karakter met smeden, olieslagerijen, volders en stallen. | Kaart: Gabri van Tussenbroek, 6) Kamerwoningen in huizen aan de Paulusbroederssteeg. Detail van de houtsnedekaart van Cornelis Anthonisz uit 1544. | Bron: Stadsarchief Amsterdam, 7) Links: Sint-Annenstraat 12, gedeeltelijke reconstructie naar een tekening van E. Bolland, Monumenten en Archeologie. Rechts: Een gedecoreerd zwanenhalskorbeel en een sleutelstuk voorzien van een engelenkopje in Lange Niezel 10, kort na 1560. | Bron links: beeldbank Stadsarchief Amsterdam (000000091910); bron rechts: Gabri van Tussenbroek.

https://www.amsterdam.nl/kunst-cultuur/monumenten/

Reageren